Bethelkerk Zwijndrecht



Bouw in 1900


De Bethelkerk werd in eerste aanleg gebouwd in 1890. Het gebouw is ontworpen als een voor de eerste jaren van de Doleantie (1886) typerende zaalkerk, eenvoudig maar stijlvol van architectuur, prominent aanwezig in het straatbeeld van de Rotterdamseweg. In 1913 werd het kerkgebouw uitgebreid met een dwarsvleugel, waardoor de kenmerkende T-vormige plattegrond ontstond. De eerste jaren na de bouw van de kerk maakte men gebruik van een huurorgel, waarschijnlijk een harmonium. Na vier jaar was dit instrument versleten zodat schoolmeester Versluis er als voorzanger voorlopig letterlijk alleen voor kwam te staan. In september 1899 nam de kerkenraad het besluit een orgel te doen plaatsen; na dat van de Hervormde kerken van Rijsoord (1864), Heerjansdam (1869) en Zwijndrecht (1884) het vierde in de Zwijndrechtse Waard.

  

Voor de bouw van het nieuwe orgel wendde het Zwijndrechtse kerkbestuur zich tot dezelfde orgelmakerij die in 1884 het orgel in de Oude Hervormde Kerk had geleverd: de firma Van Gelder te Leiden. Na het overlijden van Jan van Gelder in 1895 werd diens zaak voortgezet door zijn weduwe en zoon. Een belangrijke rol speelde meesterknecht Gerrit van Leeuwen, welke in 1903 voor zichzelf begon. Waarschijnlijk is hij de eigenlijke maker van het orgel in de Bethelkerk. Het contract voor de bouw werd de vijfentwintigste september 1899 door het kerkbestuur ondertekend. Het orgel werd op woensdag 22 augustus 1900 ingebruik genomen.


Ombouw in 1947


De toestand van het orgel moet in de loop der jaren danig achteruit zijn gegaan. In 1938 werd er zelfs overwogen een ander instrument aan te schaffen, wat wegens het kostenplaatje gelukkig niet doorging. De klachten over het instrument namen echter toe en in 1942 stelden de toenmalige organisten voor advies te vragen aan de Vereeniging van Organisten bij de Gereformeerde Kerken. Deze diende in de personen van haar adviseurs W..A. Houtman en J.A. Luykenaar-Franken, drie plannen in voor herstel van het orgel. Het eenvoudigste plan A omhelsde een technisch herstel van het orgel en de toevoeging van een vrij pedaal. Plan B voorzag in de toevoeging van een Mixtuur aan het eerste manuaal. Plan C tenslotte omhelsde een volledige ombouw naar elektro-mechanische tractuur. De tweede oktober 1942 diende de firma Bern. Pels & Zoon te Alkmaar een offerte in op grond van genoemde plannen. De firma Pels drong sterk aan op plan C. De eerste oktober 1947 werd het verbouwde orgel in gebruik genomen met een bespeling door beide adviseurs. Na de ombouw in 1947 is het orgel niet noemenswaardig meer gewijzigd. In 1970 vonden werkzaamheden plaats door de firma Verschueren.


Restauratie 2006


Na ongeveer een jaar buitengebruik te zijn geweest is in januari 2006 de verbouwde Bethelkerk weer in gebruik genomen. Behalve het kerkgebouw is ook het orgel grondig gerestaureerd. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door de firma A. Nijsse & Zoon te Oud Sabbinge. Het orgel heeft zijn mechanische tractuur weer teruggekregen. Het goede pijpwerk is behouden gebleven en er zijn enkele nieuwe registers aangebracht. In het orgel staan 1730 pijpen. Hiervan zijn er 111 van hout, met name van de Subbas, deze geeft de bastoon aan het orgel. De grootste houten pijp is 25 cm in het vierkant en 2,5 meter lang. De combinatie Subbas/Gedekte Quint 10 2/3 geeft een akoestische 32-voet. Ook de bas van de Bourdon 16 is van hout, evenals het groot octaaf van de Holpijp 8, Roerfluit 8 en Gedekt 8. De overige 1619 pijpen zijn van orgelmetaal, een legering van lood en tin. De grootste pijp is 15 cm in doorsnee en 2,5 meter lang en behoort tot de Prestant 8 van het Hoofdwerk. De pijpen van de Prestant 8 staan deels in het front, prestant betekent vooraanstaand. Het kleinste pijpje is 5 mm in doorsnee en nog geen centimeter lang, deze is van de Terts 1 3/5. Nieuwe registers ten opzichte van het ”oude” orgel: Roerfluit 8, Openfluit 4, Quintfluit 2 2/3 en Fagot 16. In april 2006 is het gerestaureerde orgel van de Bethelkerk wederom in gebruik genomen.


Dispositie


Orgelbouwer: Van Gelder (1900) / Nijsse (2006)   

  

Hoofdwerk      Bovenwerk Pedaal
Manuaal I C-g3 Manuaal II C-g3 C-f1
Prestant 8' Salicionaal 8' Subbas 16'
Bourdon 16' Flûte Harmonique 8' Gedekte Quint 10 2/3'
Cornet V Roerfluit 8' Gedekt 8'
Holpijp 8' Quintadeen 8' Octaaf 8'
Octaaf 4'  Prestant 4' Bazuin 16'
Fluit 4' Open fluit 4'
Quintfluit 2 2/3' Quint 2 2/3'
Octaaf 2' Flageolet 2'
Mixtuur III-IV Terts 1 3/5'
Fagot B/D 16' Scherp III
Trompet B/D 8' Basson Hobo 8'
Tremulant

  

Koppelingen Overig

Manuaalkoppel

Pedaal-Bovenwerk
Pedaal-Hoofdwerk

Totaal aantal pijpen = 1730

Stemming a1 = 440 Hz